Huis te Vliet

Ligging Het kasteel staat zo'n 150 m ten westen van de kerk van Lopikerkapel. Het ligt ten noorden van de Lopikerweg-oost en ten zuiden van de Achterdijk.

Foto van het huidige huis

Ontstaan De eerste vermelding van het kasteel dateert van 1375.
Geschiedenis Rond 1350 komen we Henric van den Damme en Tyman Schorre als schepen van de stad Utrecht tegen en een Tydeman Meeus Scorren soen, die kerkmeester van de Buurkerk is. Mogelijk is één van deze personen de bouwheer van het kasteel te Vliet. Dit wordt nog versterkt door het gegeven, dat in 1395 Aleit Henrixdr. van den Damme, weduwe van Tyman Schorre, als eigenaresse van het kasteel genoemd wordt. Het kasteel is een Stichts leen en wordt in 1375 voor het eerst henoemd, als belending van de Lekdijk.
Wanneer het kasteel gebouwd werd is onduidelijk. In 1352 wordt een verdrag gesloten tussen de bisschop en de stad Utrecht om verdere versterkingen in het Sticht tegen te gaan. In een leenakte uit 1356 worden de naastgelegen percelen van het kasteel genoemd, maar het huis te Vliet niet. Omdat de oorspronkelijke donjon dikke muren had en aan de weg naar Schoonhoven stond, lijkt het waarschijnlijk dat het kasteel ook een strategische rol speelde in de verdediging van het Sticht, samen met de twee kastelen langs dezelfde weg: Zevender (Z.H.) en Ter Heul. Dit betekent dat het kasteel al voor het verdrag van 1352 bestond.

Begin 14e eeuw komen we in de archieven een Giselbertus Bokel van den Vliet tegen. Hij was leenman van de bisschop van Utrecht, van de heren van Amstel en van de heer van Arkel. In de loop van de 14e eeuw vertakte de familie Van den Vliet zich steeds meer, maar aan de hand van de beschikbare gegevens kan geen verwantschap met het Huis te Vliet of de families Van den Damme en Schorre worden vastgesteld. Wel zou hij de stichter geweest kunnen zijn van de enkele honderden meters westelijker gelegen hofstede te Vliet, die rond 1382 beleend werd aan Willem Gerardsz van den Vliet, die vermoedelijk een nazaat van Giselbertus is. De familie Van den Vliet was wel bezitter van een stenen huis in het Gerecht Lopik.
De enige mogelijke verklaring dat er geen verband valt vast te stellen tussen de familie Van den Vliet en het huis te Vliet, zou daarin kunnen liggen, dat het huis door vererving in vrouwelijke lijn of verkoop uit handen van de familie is geraakt, al voor 1395.

Na het sterven van Aleit Henrixdr. van den Damme vererft het huis op dochter Belie van haar en haar man Tyman Schorre. Belie trouwde met Geryt Vrencken, waarmee het huis in handen van deze familie over gaat. Zo wordt van 1433 tot 1459 Henric Vrencken met het huis beleend, die zich hierdoor Vrencken van der Vliet gaat noemen. Waarschijnlijk had deze Henric alleen een dochter of werd het huis in 1459 verkocht, want vanaf eerder genoemde jaar tot 1562 komen we de familie Van Hemert als eigenaar tegen, met een kleine onderbreking van 14 jaar, waarin Steven van Ruitenbergen met het huis beleend werd.
In 1536 wordt de eerste lijst van ridderhofsteden van het bisdom Utrecht opgesteld, maar het Huis te vliet komt daarin niet voor. Het wordt pas in 1538 toegevoegd aan deze lijst.
In 1562 wordt het huis door Cornelis van Mierop, domproost van Utrecht gekocht. Na zijn overlijden in 1571, blijkt Cornelis in zijn testament te hebben gezet, dat het huis moet vererven op Floris Tin, die tot zijn overlijden in 1592 eigenaar blijft. In datzelfde jaar wordt Volkert Both met het huis beleend, die het echter nog dezelfde dag over draagt aan mr. Paulus Buys. Paulus was achtereenvolgens pensionaris van Leiden, lid van de Raad van State en curator van de Leidse universiteit en sterft al in 1594 en het huis vererft op zijn zoon.

Twee jaar later komt het huis in bezit van Cornelis van Nyestat, die getrouwd is met Odilia Buys. Enkele jaren later gaat het kasteel over in handen van Govert Willemszn. van Goch. Het huis blijft tot zijn dood in 1657 in zijn bezit, hoewel hij het al in 1618 overdraagt op Dirck de Vlaming. Dit ten behoeve van de kinderen van zijn onechte zoon Willem Celius. Na zijn dood vereft het kasteel op zijn kleinzoon Godfried Celius. Als Godfied in 1677 sterft, wordt het huis verkocht aan Helena van Stavenisse. Acht jaar later verkoopt zij het huis aan haar zwager Joriphaes Vosch van Roelingsweert, die op zijn beurt acht jaar later genoodzaakt is door schulden te Vliet te verkopen.
De nieuwe eigenaar wordt Antony Carel van Panhuis tot Voorn, heer van Vliedt, die trouwde met Fransina van Rheeden en twee dochters kreeg. Na zijn overlijden erft één van deze dochters het huis, en zij draagt het in 1733 over aan Johan Louis van Hardenbroek. Bij de doop van zijn zoon Willem carel Hendrick is de "Prins van Orange Nassau etc." getuige en bij de doop van zijn dochter Maria Louisa de "Prinses van Orange Nassau".' Na het overlijden van Johan Louis in 1747 vererft het kasteel op zijn zoon, die het overdraagt aan Gijsbert Jan van Hardenbroek. Daarna gaat het kasteel in korte tijd enkele keren over in andere handen, tot het in 1801 gekocht wordt door jhr. Cornelis Gerard Barchman Wuytiers. In deze familie blijft het huis tot 1936. In dat jaar wordt het via een veiling gekocht door Gerrit van de Hoef. Het huis heeft sinds enkele tientallen jaren hoofdzakelijk een agrarische bedrijfsfunctie.

Van oorsprong was te Vliet een donjon, waarvan op de begane grond nog zo'n 60 procent van het muurwerk bewaard is gebleven. Op plaatsen waar het pleisterwerk is verdwenen, is 14e eeuws muurwerk zichtbaar. In de oostelijke gevel zijn restanten van een stenen trap zichtbaar. Hier zijn kloostermoppen gebruikt met een formaat van 31 x 15 tot 16 x 9 cm, die uit de 13e eeuw dateren. Deze trap is echter niet oorspronkelijk maar later aangebracht, waarbij oude sten zijn hergebruikt.
Het gewelf onder de trap stamt wel uit de 14e eeuw en de muur, waarin deze trap is opgenomen, is bijna nog geheel aanwezig en heeft een dikte van ongeveer 2,5 m, terwijl de noordgevel bijna 2 m dik is! De westelijke gevel had tot 1937 ook een dikte van 2 m, maar bij de verbouwing van 1937 is hiervan zo'n 1,4 m weggehakt. De voorgevel tenslotte, dit is de zuidgevel, heeft een dikte van 1,45 m of deze muur dikker is geweest is onbekend. Dit zou kunnen worden vastgesteld door de pleisterlaag te verwijderen.
De donjon had een buitenmaat van ca. 11,7 x 12,8 m en heeft de vroegere kelder een tongewelf gehad. Deze kelder had een maximale hoogte van 2,8 m. Daarboven hebben zich twee of drie verdiepingen bevonden met bovenop kantelen. Om de donjon liep een smalle strook grond en daaromheen een brede gracht. De donjon was toegangelijk via een ingang op de eerste verdieping, die men kon bereiken via een houten trap.

In de 16e eeuw is de donjon door een grote verbouwing en aanbouw veranderd in een aanzienlijk buitenverblijf. Deze verbouwing vond plaats toen Gijsbert van Hemert eigenaar was. Hij nam tot twee keer toe een hypotheek op het huis te Vliet met een totale waarde van 4496 gulden en verkocht in 1557 het huis Amerongen, waar hij ook eigenaar van was. Mogelijk vond deze verkoop ook plaats om het Huis te Vliet te kunnen verbouwen. Aan de westzijde van de donjon werden twee bouwdelen gebouwd, gedekt door zadeldaken en voorzien van trapgevels. Ten westen hiervan werd waarschijnlijk later nog een bouwdeel toegevoegd, dat gedekt werd door een schilddak. Het huis kreeg hierdoor een plattegrond van ongeveer 20,4 x 12,8 m en had het twee woonlagen boven op een kelderverdieping. Het huis kreeg een symmetrische uitstraling, wat niet veel voor kwam in de 16e eeuw.
De verschillende verdiepingen werden toegankelijk gemaakt door een traptoren aan de achterzijde van het huis. Deze kreeg een achtkantig bovendeel en werd gedekt door een koepeldak. Naast deze traptoren was de ingang. De oudst bekende afbeelding van het huis in deze gedaante dateert uit 1627.

Het kasteel heeft veel te lijden gehad van de Fransen in het rampjaar 1672, maar het werd waarschijnlijk tussen 1690 en 1700 gerestaureerd door Joriphaes Vosch van Roelingsweert. De ingang werd verplaatst naar de zuidzijde, waar deze zich nog steeds bevindt. Aan het huis werden twee bijgebouwen toegevoegd, die later werden aangeduid met koetshuis en oranjerie. In de tuin werden nieuwe bomen geplant en er werd een 'Sterrebos' aangelegd. De nu nog bestaande Notenlaan werd mogelijk ook in die tijd aangelegd.
De volgende verbouwing vindt plaats tussen 1730 en 1744. De Vlaamse gevels werden vervangen door dakkapellen en bovendien werd van de toren aan de achterzijde van het huis het bovenste achtkantige deel veranderd in een klokketoren. Tenslotte werd in 1745 de brug over de gracht aangepast. De rest van de 18e blijft het kasteel ongewijzigd.

In het begin van de 19e onderging het huis een flinke verandering. De ene bron zegt dan dat het huis in 1815 grotendeels werd afgebroken en de andere bron dat het huis in 1826 werd verkleind. In elk geval werd door afbraak van het zuidelijk gedeelte van de 16e-eeuwse westvleugel het huis verkleind. In het gedeelte dat behouden werd, bevond zich de keuken. De oorzaak van deze afbraak, lag waarschijnlijk in het gegeven, dat dit deel van het huis verzakt was, doordat het werd gebouwd op de plek van de vroegere gracht.
In 1856 werd de westelijke vleugel nog weer verbouwd, door het inkorten van deze vleugel over de breedte van één venster. Hiermee kreeg het huis een plattegrond van 17,9 x 12,8 m. Tevens werd het huis voorzien van een nieuw dak, een nieuwe voorgevel en een nieuwe ingang.
Tussen 1850 en 1875 vond de derde verbouwing van de 19e eeuw plaats. Het interieur werd toen aan de eisen van de tijd aangepast.

Gerrit van den Hoef besluit in 1937 een bouwplan op te stellen, om het kasteel te redden. Dit was noodzakelijk door de slechte bouwtechnische constructie: de muur tussen de beide vleugels was niet gefundeerd, waardoor één balk de helft van het totale gewicht van twee verdiepingen en de kap moest opvangen. Uiteindelijk werd alleen de tweede verdieping verwijderd en werd het bestaande dak ook met een laag verminderd. Intern werd het kasteel zodanig aangepast, dat het geschikt werd voor bewoning door meerdere gezinnen en werden later de grachten gedempt en verschillende bedrijfsgebouwen tegen het huis aangebouwd.
In 1992 is men weer begonnen aan het opstellen van restauratieplannen, maar wat de status daarvan is, is mij niet bekend.
Bewoners 1395 Aleit Henrixdr. van den Damme
familie Vrencken
1433 - 1459 Henric Vrencken van der Vliet
1459 - 1562 familie Van Hemert
1491 - 1504 Steven van Ruitenbergen
ca 1550 - 1562 Gijsbert van Hemert
1562 - 1571 Cornelis van Mierop
1572 - 1592 Floris Tin
1592 Volkert Both
1592 - 1594 mr. Paulus Buys
1594 - 1596 Cornelis (?) Buys
1596 Cornelis van Nyestat, getrouwd met Odilia Buys
- 1657 Govert Willemszn. van Goch
1657 - 1677 Godfried Celius, kleinzoon van voorgaande
1677 - 1691 Helena van Stavenisse
1691 - 1699 Joriphaes Vosch van Roelingsweert
1699 Antony Carel van Panhuis tot Voorn
- 1733 dochter van voorgaande
1733 - 1747 Johan Louis van Hardenbroek
1747 - 1778 Gijsbert Jan van Hardenbroek
1778 - 1784 Johan Peter van Renesse
1784 - 1790 Mr. Matthys Staalman
1790 - 1801 Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen
1801 jhr. Cornelis Gerard Barchman Wuytiers
- 1936 familie Barchman Wuytiers
1936 Gerrit van de Hoef
Huidige doeleinden Het huis is bewoond.
Opengesteld Het huidige huis is niet toegankelijk.
Foto's Tekening van Roelant Roghman uit 1646/7 Kopergravure van het kasteel door C. Specht uit 1698 Plattegrond van de benedenverdieping Plattegrond van de eerste etage
Bronnen Tekst: B. Olde Meierink (redactie), Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, Onder auspiciën van de Stichting Utrechtse kastelen, Utrecht, Matrijs, 1995, 596 pag.
Foto 1: Peter van der Wielen
Afb. 1: Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht
Afb. 2: boek: Provincie Utrecht, 1966
Afb. 3 en 4: Uit eigen collectie