Ruwiel

Ligging Dit kasteel stond achter het huis aan de Oud Aa, nr. 36, iets ten zuiden van Nieuwer ter Aa, gemeente Stichtse Vecht.

Oude afbeelding van het kasteel door Jacob Schijnvoet ca 1720

Ontstaan Mogelijk is het huis al in 1226 gebouwd. Gijsbrecht I van Ruwiel is waarschijnlijk de bouwer van het kasteel.
Geschiedenis De naam Ruwiel duikt -voor zover nu bekend- voor het eerst op tijdens de eerste helft van de 13e eeuw. Buitelaar vermoedt echter dat de Van Ruwiels al in de 12e eeuw in gezelschap van de Van der Aa's deelnamen aan het in cultuur brengen van de woeste gronden in de Vechtstreek. Zij zouden schuil gaan onder de bisschoppelijke ministerialen, die alleen bij de voornaam werden genoemd. Mogelijk is de in 1226 genoemde Gijsbrecht I van Ruwiel een bisschoppelijke ministeriaal, die reeds een versterkt huis Ruwiel had laten bouwen. Dit gegeven zou dan het ontstaan van het kasteel naar de eerste helft van de 13e eeuw terugvoeren.
Dat is opmerkelijk vroeg in het Sticht, waar we in hoofdzaak met dienstlieden (ministerialen) van de bisschop te maken hebben. De Van Ruwiels waren echter geen kleine ondernemers. Zij bleken in het bezit van eigen -allodiaal- bezit op de stroomrug langs de Aa.

Volgens de heer A. Manten zou het kasteel Ruwiel een houten voorganger hebben gehad. In 1122 kreeg Utrecht stadsrechten en de rivier de Aa, was vanaf dat jaar tot ca 1250 een belangrijke rivier voor de scheepvaart. Ronde burchten, zoals Ruwiel was, werden tussen ca 1200 en 1250 gebouwd. Een houten burcht zou daarom tussen 1122 en 1200 gebouwd kunnen zijn. Bovendien moedigde bisschop Godfried van Rhenen (1156-1178) de bouw van kastelen aan. De bouwheer van Ruwiel zou Arnold Loef, de vader van de hierna te noemen Gijsbrecht I, kunnen zijn of mogelijk de vader van Arnold Loef, maar diens naam is niet bekend.
In de archieven komen we ook het ministerialen geslacht van Anxtel tegen, dat hetzelfde wapen droeg als de familie Van Ruele. Deze familie liet het kasteel Anxtel langs de Kromme Angstel, die ten noorden van Nieuwer ter Aa in de richting van Loenersloot-Baambrugge loopt, bouwen. Dit kasteel werd voor 1250 gebouwd, omdat men verwachtte dat de Angstel een belangrijke vaarroute zou worden, maar rond 1250 werd de Vecht dat. Ruwiel moet ouder zijn geweest dan Anxtel, daarom is het kasteel mogelijk voor of rond 1200 gebouwd door de vader van Arnold Loef.

Op 20 september 1240 droeg Gijsbrecht I van Ruwiel zijn goederen op het Amerland -een strook grond langs de Aa- op aan de Utrechtse bisschop Otto van Holland (1233-1249). Deze bisschop trad van 1234 tot 1239 op als voogd over de (heel) jonge Hollandse graaf Willem II. Zo kan Gijsbrecht I in de Hollandse belangensfeer terecht zijn gekomen. Hij was gehuwd met vrouwe Goeda. Zij was eerder gehuwd geweest met Wouter Over de Vecht. Gijsbrecht I trad in 1242, nog tijdens het leven van zijn vrouw Goeda, in de Duitse Orde, evenals zijn broer Gerard van Ruele. Hij werd aangeduid met 'frater et conversis', lekebroeder dus, en leefde nog in 1272.
Het echtpaar kreeg in elk geval drie zonen, waarvan er één -vanzelfsprekend- Gijsbrecht gedoopt werd. Deze Gijsbrecht II is terug te vinden als ministeriaal van de bisschop. Ministerialen en ridders vormden een invloedrijke groep in het Sticht. Gijsbrecht II volgde zijn vader op als kasteelheer van Ruwiel en overleed tussen 1287 en 1290. Gijsbrecht II had een jongere broer Gerard Splinter van Rueel, was ook ridder en wordt gezien als de bouwheer van kasteel Nijenrode.

Niet vergeten moet worden dat de naam Ruwiel niet alleen een kasteel vertegenwoordigde, maar bovendien een gerecht: een stuk grond, waarover de Van Ruwiels tot op zekere hoogte rechtspraak uitoefenden. Ook al bleef het straffen met de doodstraf in handen van de bisschop, het geeft aan dat de Van Ruwiels enige invloed konden uitoefenen.
Gijsbrecht II werd opgevolgd door zijn Zoon, die ook Gijsbrecht heette. In 1290 komen we hem eerst nog als knape tegen, maar in datzelfde jaar ook als ridder, dus hij moet in dat jaar tot ridder geslagen zijn. Gijsbrecht III wordt in 1298 nog als getuige genoemd en hij trouwde met Baarte Grauwert, dochter van Peter Grauwert. Hij kreeg in elk geval één zoon en is daarna snel overleden, waarna zijn echtgenote hertrouwde met Otto van IJsselstein. Door de vroege dood van zijn vader werd Gijsbrecht IV op jonge leeftijd kasteelheer. Gijsbrecht IV had geen nakomelingen en met hem stierf het geslacht Ruele in ca 1348 uit. Het kasteel vererfde op Amelis van Mijnden, een zoon van zijn tante Geertruid van Ruele, die getrouwd was met Wouter van Mijnden.

Geertruyde, dochter van Gijsbrecht II, trouwde ca 1317 met Wouter van Mijnden en het echtpaar kreeg twee zonen: Amelis en Gijsbrecht. Geertruyde stierf al in 1320 of 1321, mogelijk in het kraambed, want in 1321 hertrouwd Wouter met jonkvrouwe van Wulven van der Horst. Vijf jaar later sterft Wouter van Mijnden en zijn twee Amelis en Gijsbrecht kwamen onder de voogdij van Dirk van der Does, die ook de Hollandse goederen ging beheren, waaronder kasteel Mijnden.
In 1338 was Amelis meerderjarig geworden, dus 18 jaar, want hij trouwde toen met jonkvrouwe Beatrix (geen familienaam bekend), die echter al snel overleed. Hij hertrouwde met Lutgarde van der Merwede; nam actief deel aan het krijgsmansleven en werd in 1341, pas 21 jaar oud, tot ridder geslagen. In 1341 maakte de graaf van Holland de belening met het kasteel Mijnden erfelijk en in 1348 (of mogelijk iets eerder) werd hij ook beleend met Ruwiel. Tijdens de woelige dagen van bisschop Jan van Arkel (1346-64) beleefde Amelis hoogtepunten in zijn militaire bestaan. Dat hij in de controversen tussen de Hollandse graaf en de Utrechtse bisschop aan de Hollandse kant stond, bezorgde hem tevens de nodige problemen. In 1348 nam hij deel aan een gevecht bij Eemnes, waar hij door de Utrechters gevangen werd genomen. Hij raakte er bovendien gewond. Pas nadat een flink losgeld was betaald, werd hij door de bisschop vrijgelaten.
Wanneer Amelis II overleden is, is niet zeker. Waarschijnlijk in 1351, omdat in dat jaar door de Bisschop een document werd opgesteld, over de vererving van het kasteel van de famile Van Ruele op de familie Van Mijnden. Mogelijk werd dit document opgesteld om de opvolging te regelen. Bronnen zeggen dat het kasteel in 1352 nog belegerd, ingenomen en verwoest werd door de bisschop, maar ik betwijfel dat, omdat zijn ontrouwe leenman inmiddels overleden was.

In 1353 werd zijn zoon, Wouter II van Mijnden, met Ruwiel beleend. Van Wouter II wordt een dubbele loyaliteit gevraagd, omdat hij zowel leenman van de graaf van Holland is, als leenman van de bisschop van Utrecht. Deze heer van Ruwiel leefde lang en wist aanvankelijk goede betrekkingen met de bisschop te onderhouden. Het beleg van kasteel Woudenberg betekende echter een breekpunt. Wouter maakte niet veel haast om zijn leenheer daarbij te helpen en dat viel bij bisschop Jan van Arkel niet in goede aarde. Tegen betaling van 2000 pond wist Wouter zich echter op Ruwiel te handhaven. In datzelfde jaar, 1355, werd hij baljuw van het Gooi. Wouter II trouwde met Jutte van Cuylenburgh, dochter van Hubert Schenck, heer van Cuylenburgh. Na 1355 volgt er in zowel Holland als Utrecht een rustige periode.
Wouter II woont wisselend op slot Mijnden en slot Ruwiel, waarbij hij dan op het kasteel waar hij niet verbleef een beheerder met een aantal krijgers en bedienden achter liet. Hij was een man die zijn leven lang heel wat moeilijkheden heeft meegemaakt, die hij vaak zelf veroorzaakte. Hij had onenigheid met de bewoners van Mijnden en de beide Loosdrechten en ook regelmatig met Gijsbrecht van Nijenrode, wat soms ontaardde in kleine oorlogjes. De bisschop van Utrecht duldde dit niet, zo dicht bij zijn landsgrens en in 1384 werd een brief opgesteld, waarin beide heren werden vermaand vrede te sluiten.
In het begin van de 15e eeuw laaiden de twisten tussen de Hoeken en de Kabeljauwen weer op. Samen met de bisschop stond Wouter II aan de zijde van de Kabeljauwen. Doordat Albrecht van Beieren in 1404 sterft, wordt hij opgevolgd door Willem VI. Door de opvolging ontstaan enkele opstanden, waarbij Wouter II en zijn zoon Amelis zich als actieve krijgslieden toonden en blijkbaar was hij ook goed bemiddeld, want hij leende de graaf flinke geldbedragen. Na enkele jaren heeft de graaf zijn gezag gevestigd en ontstaat er weer vrede tussen de graaf en de bisschop.
Als dank voor zijn hulp, maakt de graaf de beide Loosdrechten, Mijnden en Muyeveld los van het het baljuwschap van Amstelland en Gooiland, voegt hier Teckop aan toe en deze gebieden vormen een nieuw baljuwschap, waarvan Wouter II de baljuw wordt. In 1417 sterft Willem VI en zijn dochter Jacoba van beieren wordt de nieuwe gravin. Wouter koos de partij voor Jacoba, terwijl de kabeljauwen haar oom Jan van Beieren als graaf aanwezen. Na enkele jaren van strijd vertrok Jacoba naar Henegouwen en werd Jan van Beieren de nieuwe graaf. Omdat Wouter II de kant van Jacoba gekozen had, leverde dit een slechte verstandhouding op met de nieuwe graaf. Wouter II sterft op hoge ouderdom tussen 1423 en 1427, drie zonen en een dochter achterlatende.

Zijn zoon Amelis III volgt hem op als heer van Ruwiel en Mijnden; hij was in 1391 getrouwd met Margriet van Cronenburch. Toen Amelis III zijn vader omstreeks 1425 opvolgde, was deze al in de zestig. Waarschijnlijk meer dan hem lief was, werd Amelis betrokken in de opvlammende Hoekse en Kabeljauwse twisten. Zijn huis Mijnden werd bezet door Hendrik van Nijenrode. Hendrik sneuvelt echter in 1426 tijdens een bloedige strijd bij Brouwershaven en wordt opgevolgd door zijn zoon Splinter van Nijenrode, die echter in het geheim Jacoba van Beieren had gesteund; daardoor valt hij in ongenade bij de graaf en Mijnden wordt beleend aan Filips Heynkaart. In 1428 vindt de 'Zoen van Delft' plaats, waarbij Jacoba alleen in naam gravin van Holland blijft. Door deze verzoening wordt Amelis III alsnog beleend met het kasteel Mijnden. In het begin van het volgende jaar sterft hij al, twee zonen, Amelis en Jan, nalatende.
Het lukte Amelis IV en Jan van Mijnden en Ruwiel niet om een beslissing te nemen in de verdeling van de erfenis van hun vader. Zelfs een hoger beroep in 1436 loste dit probleem niet op. Amelis IV woonde veelal op kasteel Mijnden en werd in 1434 door de graaf van Holland benoemd tot baljuw van Mijnden, Loosdrecht en Teckop. In 1446 koopt hij kasteel Kronenburg van zijn neef Hendrik van Cronenburgh de jongere en vestigt zich op dit kasteel. Amelis IV mag zich nu heer van Mijnden, Loosdrecht en Muyeveld, heer van Cronenburch, heer van Ruwiel, heer van Loenerveen en heer van Engelen en Vlijmen noemen. (Beide laatste plaatsen lagen ten westen van Den Bosch). Omdat hij niet meer op kasteel Mijnden woont, heeft het kasteel niet meer zijn belangstelling en niet vele jaren later laat hij het slopen. Ook zijn belangstelling voor kasteel Ruwiel neemt af en hij laat er zijn broer Jan wonen, tot zijn dood in 1466. Na de dood van Jan komt het kasteel weer in bezit van Amelis IV. In 1448 krijgt hij toestemming van hertog Filips van Bourgondië om zich, net als zijn verre voorouder, Van Aemstel van Mijnden te noemen en vanaf 1449 zoekt hij vriendschappelijke toenadering tot de bisschop van Utrecht. Na enkele jaren werd hij er van verdacht, om door zijn invloed in de Sticht, de invloed van de graaf van Holland te vergroten en door de bisschop wordt hij dan in 1456 verbannen uit Utrecht. Twee jaar later mag hij al weer terugkeren, doordat Filips het voor elkaar had gekregen dat zijn bastaardzoon David van Bourgondië tot bisschop werd benoemd.

Amelis IV werd toen benoemd tot raadsman van de bisschop. Dit leverde geen vergoeding op, maar als hij voor staatszaken aan het hof verbleef, dan werd hij op kosten van de bisschop geherbergd. Tevens werd hij aangesteld tot kastelein van het kasteel Vreeland. Dit leverde een jaarlijkse beloning van 1000 oude Franse schilden op.
Amelis IV was getrouwd met Johanna van IJsselstein en kreeg bij haar 13 (mogelijk 14) kinderen. Van de zoons werd Anthonis heer van Cronenburch en Wouter heer van Ruwiel. Herberen kanunnik van de Dom te Utrecht, Hubert ridder van de Duitse Orde en 2 andere zoons stierven jong. Van de 7 dochters trouwt er één, terwijl de andere zes non worden in het klooster.

Amelis sterft waarschijnlijk in 1472, in elk geval voor 30 januari 1473, omdat op die dag zijn zoon Wouter III met Ruwiel wordt beleend. Hierbij werd Ruwiel na 125 jaar weer vaste residentie. Wouter III had een buitenechtelijke dochter Cunera, die bij haar oma op kasteel Kronenburg werd opgevoed. Wouter III trouwde pas na 1473 met Rijclant, jonkvrouwe van Merenborg.
In 1481 laaide de strijd tussen de Hoeken en de Kabeljauwen weer. Vele kastelen moesten het ontzien en ook Ruwiel werd in 1481 tijdens een verrassingsaanval door de Woerdenaren ingenomen en in brand gestoken. In 1483 eindigde de strijd met de inname van Utrecht. Het heeft Wouter III ongetwijfeld handen vol geld gekost om de schade te herstellen. Waarschijnlijk heeft de uitbreiding van de woonruimte toen plaatsgevonden. Overigens, de familie woonde 's winters als regel in de stadswoning, ook Ruwiel geheten, binnen Utrecht, een pand aan de Oudegracht tussen de Bakkersbrug en de Jacobibrug.
Wouter en Rijklant kregen 3 zoons en een dochter: Cornelis, Herberen, Hubert en Johanna. Wouter II sterft in 1500 en wordt opgevolgd door zijn zoon Cornelis I.

Cornelis is in 1500 ca 24 jaar oud. Twee jaar later, in 1502, wordt heer Herman van Lockhorst met Ruwiel beleend; de lijftocht van Ruwiel werd door hem wel volledig toegekend aan Cornelis. Eind 1508 wordt Cornelis weer beleend met Ruwiel. Wat hij in die zes jaar te doen had, is onbekend. Waarschijnlijk begin 1520 trouwt hij met Johanna van Scherpenseel, een dochter van de Gelderse edelman Geurt van Scherpenseel. Lang zijn Cornelis en Johanna niet getrouwd geweest, want vier jaar later sterft Cornelis op 48-jarige leeftijd, één zoon nalatende. Deze zoon heette eerst Wouter, maar na het overlijden van haar man, veranderde zij deze in Cornelis.
Cornelis II is 3 jaar oud als hij beleend wordt met Ruwiel. Zo lang hij nog niet meerderjarig was, werden zijn zaken waargenomen door zijn oom Herberen van Aemstel van Mijnden. In 1528 kwam er een einde aan de wereldlijke macht van de bisschop en werd Cornelis II leenman van Keizer Karel V.
Toen in 1536 de eerste lijst van ridderhofsteden werd samengesteld, werd ook Ruwiel daarin opgenomen. De ambachtsheerlijkheid omvatte toen 802 morgen en 300 roeden (683,4 ha) land.

Medio 1540 neemt Cornelis II van Aemstel van Mijnden het beheer van Ruwiel over van zijn oom Herberen, omdat hij toen mondig geworden was. Cornelis II staat afgebeeld op een schilderij van Jan van Scorel, als lid van de Jeruzalembroederschap, welk schilderij zich in de collectie van het Centraal Museum in Utrecht bevindt. Cornelis II trouwt met Josina van Sparenwoude en ze krijgen één zoon en drie dochters. Slechts één dochter wordt meerderjarig. Ze trouwde met Frederik de Wael van Vronestein, maar dat huwelijk is waarschijnlijk kinderloos gebleven.
Financieel gaat het steeds slechter met Cornelis. In 1557 neemt hij een hypotheek van 1200 gulden op het kasteel. In 1563 lost hij die schuld af en neemt dan een nieuwe hypotheek op het kasteel van 10.189 gulden bij joffer Agniese van Aeswijn, waarmee zij de nieuwe eigenaresse wordt. De Van Aemstel van Mijndens gaan dan definitief in Utrecht wonen. In 1564 stelt Cornelis II zijn testament en sterft een jaar later. Ook zijn weduwe stelt dan haar testament op en sterft zonder nakomelingen in 1600.

Agnes van Aeswijn trouwde in 1554 met Jan van Schellart van Obbendorf, maar hij sterft vrij snel daarna, waarna ze hertrouwt met Floris van den Bongard, zoon van Bernard I van den Bongard en Elisabeth Turck, Vrouwe van Nijenrode. Na hun huwelijk gaan ze op Nijenrode wonen, waar ook de inmiddels weduwe geworden Elisabeth Turck woont. Hoewel het kasteel voldoende ruimte bood, wilde het echtpaar waarschijnlijk toch zelstandig wonen en daarvoor werd kasteel Ruwiel gekocht.
In 1578 volgt Floris van den Bongard zijn overleden moeder op Nijenrode op en Floris en Agnes gaan weer op Nijenrode wonen. Langzaam verliest Agnes de belangstelling voor Ruwiel en in 1591 zit zij af van verdere beleningen en wordt haar jongere broer Aernoud van Aeswijn door de Staten van Utrecht met Ruwiel beleend. Agnes en Floris kregen ten minste twee kinderen die de volwassen leeftijd bereikten: zoon Bernard II en dochter Josina. Josina van den Bongard trouwde in 1581 met Joachim van Wijhe van Hernen, die haar tien jaar later als weduwe achterliet, waarna zij op kasteel Hernen bleef wonen. Haar ouders verbleven waarschijnlijk vaak bij haar, want zowel haar vader Floris (in 1602) als haar moeder Agnes (in 1608) stierven beide op kasteel Hernen.

Aernoud van Aeswijn, heer van Ruwiel, trouwde twee maal. Zijn eerste vrouw heette Catharina van Isendoorn en zijn tweede vrouw Alferda van den Boetselaer. In 1618 wordt hij nog beschreven in de Utrechtse ridderschap en sterft 4 jaar later, waarna zijn oudste dochter uit zijn eerste huwelijk, Agnes Catharina van Aeswijn, Ruwiel erft. Zij trouwde met Gijsbert van den Boetselaer, een jongere broer van haar stiefmoeder.
Het is opvallend dat in 1623 niet Agnes Catharina met Ruwiel wordt beleend, maar haar man. In datzelfde jaar wordt hij ook beschreven in de Utrechtse ridderschap en sterft vijf jaar later. Agnes Catharina blijft als weduwe met 4 kinderen op Ruwiel wonen, maar sterft zelf nog geen jaar na haar man.

In 1629 wordt hun zoon Arend van den Boetselaer met Ruwiel beleend. Hij heeft maar zeven jaar op Ruwiel gewoond. In 1636 sterft hij kinderloos en wordt opgevolgd door zijn broer Diederik van den Boetselaer, die in 1641 genoemd wordt als lid van de Utrechtse ridderschap. Over Gijsbert is verder niet veel bekend. Na zijn overlijden in 1653, komt het kasteel in handen van zijn zoon Gijsbert van den Boetselaer.
Gijsbert is de laatste bezitter van het slot Ruwiel in een bewoonbare toestand geweest. In het rampjaar 1673 wordt het kasteel door de Fransen verwoest: op 21 juli krijgen de Franse troepen, die in het kasteel gelegerd waren, het bevel te vertrekken, maar ze deden dat pas, nadat ze het kasteel in brand hadden gestoken. Het kasteel was zodanig verwoest, dat het niet meer bewoonbaar was. Enkele jaren later sterft Gijsbert, zonder kinderen na te laten.
De familie Van Boetselaer liet het gebouw daarna stilletjes verder vervallen. Van de "puinhoop van vervallen muurwerk" die rond 1700 nog de oude vestigingsplaats van het kasteel Ruwiel markeerde bleef na een zware storm op 8 december 1704 niet meer over "dan een stuk muur met twee vensters, op eenen ronden heuvel, van rondom door water omgeven".

Na het sterven van Gijsbert in 1677, vererft Ruwiel op zijn zus Anna Catharina van den Boetselaer, die getrouwd was met Johan Albert baron de Wylich heer tot Kervendoncq. Als Johan Albert in 1712 sterft, wordt zijn zoon Frederick Carel Baron de Wylich, heer van Ruwiel. Die op zijn beurt na zijn sterven in 1724 opgevolgd wordt door zijn zus Franceline Louise Baronesse van Wylich, die getrouwd was met Lodewijk Graaf van Wylich en Lottum.
Weer later in de 18e eeuw was Ruwiel in het bezit van de Amsterdamse familie Straalman, waarvoor het bezit, getuige een familieportret waarop de heer des huizes een afbeelding van het huis vasthoudt, als status verhogend moet zijn beschouwd.

Van het kasteel Ruwiel is slechts een omgracht, enigszins ovaal eiland met een doorsnede van ongeveer 35 m over. Dit is het restant van het in 1673 door de Fransen verwoeste kasteel. Voor de bouwgeschiedenis moeten we teruggrijpen op de tekening die Roelant Roghman in 1646 op de plaats van de huidige erf van de boerderij maakte. Op deze tekening ziet men de oostzijde van het kasteel met een ronde buitenmuur, aan de binnenzijde ongetwijfeld gedeeltelijk voorzien van een weergang op bogen. De fundering van deze ringmuur is recentelijk door archeologisch onderzoek vastgesteld. Binnen deze ringmuur kon de plaats van binnenmuren worden vastgesteld, die haaks op elkaar stonden. Deze behoren waarschijnlijk bij het op de tekening van Roghman voorkomende grote bouwlichaam, dat mogelijk als een grote (woon?)toren kan worden geïnterpreteerd. Het is niet zeker of deze in de ringmuur was opgenomen. De hierna te behandelen aangebouwde traptoren is duidelijk te herkennen. Links ziet men twee tegen de ringmuur aangebouwde woonvleugels met trapgevels. Aan de buitenkant van de ringmuur hingen zoals gebruikelijk nestkasten. Deze muur schijnt te zijn opgehoogd, zoals de tint van het metselwerk enigermate zou kunnen suggereren. De ankers geven de plaats van waarschijnlijk een houten weergang aan. Er lag een berm tegen de voet van de buitenmuur. De belijning geeft de suggestie van een kleine plint.
De naar de toeschouwer toegewende zijde van de grote toren ziet er enigszins raadselachtig uit. Aan beide zijden wijzen de (gebroken) doorlopende daklijnen er op dat de toren aan die zijden blijkbaar was ingebouwd geraakt door -waarschijnlijk- later toegevoegde woonruimten. Dat de toren hier toch wel zijn eigen buitenmuur moet hebben gehad, wordt duidelijk gedemonstreerd door de aanwezigheid van een schoorsteen, op korte afstand rechts van de traptoren.

Aan de hand van een waarschijnlijk in 1592 door de eigenaar opgestelde beschrijving kunnen we ons een beeld vormen van de functies van de verschillende ruimten in het kasteel. Het stuk deelt mee dat 'een nieu huys en is getimmert int jaer 1557', maar we mogen aannemen dat in 1557 de bebouwing grotendeels werd vernieuwd, waarbij de oude ringmuur en waarschijnlijk delen van de bebouwing opnieuw werden gebruikt. Via een houten brug op drie pijlers, die ook door Roghman werd afgebeeld, kwam men bij een 'schoone poort', die men ook op de tekening met enige moeite kan ontwaren. Door de poort kwam men in een met steen overwelfde galerij met stenen pijlers, en van hieruit op een woning en een bakhuis. Vanuit de galerij passeerde men de hoge door Roghman afgebeelde traptoren met een 'wenteltrap van viercant steenwerk' die zo breed was dat men met gemak met een paard naar boven kon.
Via de traptoren kon men alle kamers en alle zolders in het kasteel bereiken en het bovenste deel van de toren bevond zich 'een schoon vierkant soomerhuys van tien voet [ruim drie meter] viercants daar drie cruysramen met een schoorsteen in sijn welk somerhuys een schoon ruym uytsicht heeft'. Deze toren is te vergelijken met de nog bestaande traptoren van kasteel IJsselstein. Onder de trap bevond zich de toegang tot drie 'propre overwulfte kelders'. Naast de trap was de toegang naar een 'propre viercante sael' die zich in het grote torenvormige deel zal hebben bevonden.

Vanuit de zaal bereikte men de huiskapel, een in steen overwelfde schrijfkamer en een vrij luchtige keuken, waarin een wand werd ingenomen door een brede schouw. In de keuken vond men ook de bottelarij. Een deel van keuken had een hangkamer waarin twee bedsteden voor de dienstmaagden waren gesitueerd. Vanuit de keuken kwam men nog in een kamer met een schouw en een secreet. Deze vertrekken waren allen gelijkvloers.
De wenteltrap opgaande, kwam men op twee 'schoone koorenzolders' alsmede twee kamers elk met een schoorsteen en secreet. Nog hoger gaande kwam men op een kamer 'geheeten die Toornkamer', twee knechtenkamers, ieder met een secreet. Hierboven bevond zich nog een 'schoone solder'. De toren was gedekt met leien, evenals het zomerhuis. De rest van het kasteel was gedekt met daktegels en -pannen. De twee gebouwen met trapgevels op de voorgrond worden in de beschrijving niet genoemd. Het is niet onmogelijk dat deze na 1592 zijn ontstaan. De tekening van Roghman uit 1646 helpt in hoge mate om ons een beeld bij de beschrijving te vormen, evenals een tekening van Serrurier uit ca. 1730. Deze laat zien dat de grote toren door de ronde schildmuur de gracht in steekt. Een datering van deze ronde burcht in de eerste helft van de 13e eeuw is het meest waarschijnlijk.
Tegen het einde van de 20e eeuw werd bij opgravingen in de tuin van pachtboerderij Splintersvelt een haardsteen gevonden met het jaartal 1565. Deze haardsteen heeft zich mogelijk vroeger in het kasteel bevonden en is later na de verwoesting van het kasteel nog tot het midden van de 20e eeuw in gebruik geweest in de schouw van de openhaar van boerderij Splintersvelt en is daarna in de tuin begraven. Op de haardsteen steen staat het wapen van Karel V, maar deze leefde in 1565 niet meer. Bij een mal die voor deze haardsteen gebruikt werd, was het vaak eenvoudig om alleen het jaartal aan te passen en de mal daardoor meerdere jaren te kunnen blijven gebruiken.
Bewoners 1226 - 1242 Gijsbrecht (I) van Ruwiel
1242 - ca 1290 Gijsbrecht (II) van Ruwiel
ca 1290 - ca 1298 Gijsbrecht (III) van Ruwiel
ca 1298 - ca 1348 Gijsbrecht IV van Ruele
ca 1348 - 1353 Amelis II van Mijnden en Ruwiel
1353 - ca 1425 Wouter II van Mijnden en Ruwiel
ca 1425 - 1429 Amelis III van Mijnden en Ruwiel
1429 - 1446 Amelis IV van Aemstel van Mijnden
1446 - 1466 Jan van Aemstel van Mijnden (broer)
1446 - 1472 Amelis IV van Aemstel van Mijnden
1472 - 1500 Wouter III Amelisz van Aemstel van Mijnden
1500 - 1524 Cornelis I van Aemstel van Mijnden
1524 - 1540 Herberen van Aemstel van Mijnden
1540 - 1563 Cornelis II van Aemstel van Mijnden
1563 - 1591 Agnes van Aeswijn
1591 - 1622 Aernoud van Aeswijn
1622 - 1628 Gijsbert van den Boetselaer, getrouwd met Agnes Catharina van Aeswijn
1628 - 1629 Agnes Catharina van Aeswijn
1629 - 1636 Arend van Boetselaer
1636 - 1653 Diederik van den Boetselaer
1653 - 1677 Gijsbrecht van Boetselaer 1677 - 1712 Anna Catharina van den Boetselaer, getrouwd met Johan Albert baron de Wylich heer tot Kervendoncq
1712 - 1724 Frederick Carel Baron de Wylich
1724 Franceline Louise Baronesse van Wylich, getrouwd met Lodewijk Graaf van Wylich en Lottum
later 18e eeuw familie Straalman
Huidige doeleinden Het enige wat rest is een omgracht eiland, waarop wat bomen staan.
Op het terrein van de vroegere voorburcht staat nog steeds een boerderij. In de gevel van deze boerderij bevindt zich een wapensteen met de wapens van de familie Aeswijn en van Ruwiel met het jaartal 1591. Waarschijnlijk heeft deze zich vroeger boven de poort van het kasteel bevonden.
Opengesteld De boerderij en het kasteelterrein zijn niet toegankelijk.
Foto's Foto van het omgrachte eiland Kleine stamboom van de familie Ruele Het geslacht Van Aemstel van Mijnden Zegels van Amelis III en Amelis IV
Schilderij van Cornelis II door Jan van Scorel Kleine stamboom van de fanilie Van Aeswijn Teruggevonden haardplaat uit 1565 Tekening van het kasteel door Roelant Roghman uit 1646
Bronnen Tekst: Kastelen en Ridderhofsteden in Utrecht, 1995
A.A. Manten, kasteel Ruwiel en het geslacht Van Ruele, in: Tijdschrift van de Historische Kring Breukelen, jrg 6, nr. 4, 1991, blz. 174-187
A.A. Manten, Oorsprong van het geslacht Van Ruele en de relatie met de geloofsprediker Liudger, in: Tijdschrift van de Historische Kring Breukelen, jrg 7, nr. 3, 1992, blz. 138-147
A.A. Manten, Het geslacht Van Mijnden en kasteel Ruwiel, in: Tijdschrift van de Historische Kring Breukelen:
1. 1319 - 1352, jrg 6, nr. 1, 1991, blz. 4 - 14
2. 1352 - 1425, jrg 6, nr. 2, 1991, blz. 41 - 53
3. 1425 - 1472, jrg 6, nr. 2, 1991, blz. 54 - 67
4. 1472 - 1563, jrg 6, nr. 3, 1991, blz. 140 - 155
A.A. Manten, De laatste eeuw van kasteel Ruwiel, in: Tijdschrift van de Historische Kring Breukelen, jrg 6, nr. 4, 1991, blz. 188 - 199
A.A. Manten, Zestiende-eeuwse haardplaat opgegraven nabij de voormalige ridderhofstad Ruwiel , in: Tijdschrift van de Historische Kring Breukelen, jrg 13, nr. 4, 1998, blz. 225 - 227
A.A. Manten, Aanvullingen op eerder gepubliceerde artikelen, in: Tijdschrift van de Historische Kring Breukelen, jrg 14, nr. 1, 1999, blz. 12
Afb. 1: boek: Provincie Utrecht, 1966
Foto 1: uit eigen collectie
Afb. 2: A.A. Manten, kasteel Ruwiel en het geslacht Van Ruele
Afb. 4 t/m 6 en 9: A.A. Manten, Het geslacht Van Mijnden en kasteel Ruwiel
Afb. 7: A.A. Manten, De laatste eeuw van kasteel Ruwiel
Afb. 8: A.A. Manten, Zestiende-eeuwse haardplaat opgegraven nabij de voormalige ridderhofstad Ruwiel