Den Eyck

Ligging Dit kasteeltje stond ten oosten van kasteel de Haar in Haarzuilens.
Aan de Eikslaan nr. 1 staat nog een boerderij met die naam en het kasteelterrein bevindt zich in de hoek die gevormd wordt door de Thematerweg en de Eikslaan.

Oude tekening van het huis door Jan de Beyer in 1744

Ontstaan De oudste belening van het huis dateert van 1391.
Geschiedenis De oudste belening van dit goed, door de Heer van Vianen aan Loef van Ruwiel, vond in 1391 plaats. Na zijn dood werd hij opgevolgd door zijn zoon en diens overlijden door kleinzoon Loef van Ruwiel. Loef van Ruwiel sterft in 1464, alleen en dochter Beatrijs nalatende. Het goed betrof een zoganaamd 'zwaardleen' en zijn dochter kon niet met het goed beleend worden. Beleningen komen we daarna niet meer tegen, waaruit we zouden kunnen concluderen dat het een allodiaal goed geworden is. Wel blijkt het goed, maar half zo groot te zijn, de andere helft is onderdeel van De Haar geworden.
Omdat het een alodiaal bezit geworden is, is het moeilijk om te kunnen achterhalen wie er eigenaar van is geweest, omdat er dan geen beleningen plaats vinden.

Vanaf ongeveer 1500 was een Herman Van Ravenswaaij met den Eyck beleend. Hij was beleend met verschillende goederen ten oosten van De Haar, waaronder 'De Nobelhoeve' met vier morgen land, dat hij in 1504 erfde van zijn tante Cornelia van Dorsschen. Deze vier morgen verpachtte hij in 1536 aan 'Cornelis Dircksz. op ten eyk'. Herman sterft in 1544 en het goed gaat over op zijn oudste zoon Hendrik, die het overdraagt op zijn broer Jan. Jan van Ravenswaaij is bijna 20 jaar eigenaar van Den Eyck en na diens dood in 1563, wordt de kleinzoon zijn van zijn broer Hendrik, Herman van Ravenswaaij geheten, ermee beleend. Zijn grootvader was in 1553 en zijn vader in 1557 gestorven.
Den Eyck komt niet voor in de lijst van ridderhofsteden, die in 1536 werd vastgesteld. De oorzaak hiervan was waarschijnlijk dat de familie Van Ravenswaaij niet riddermatig was; het huis voldeed hoogstwaarschijnlijk wel aan de voorwaarden.

Herman trouwde met Catharina Botter, een dochter van Mr. Jacob Botter en Agniese van Dompselaar. Het echtpaar woonde in Barneveld en na de dood van catharina gaat Herman op Den Eyck wonen. Als hij in 1616 sterft, wordt hij opgevolgd door zijn zoon Gijsbert, die dan 42 jaar oud is.
In 1634 raakt Gijsbert van Ravenswaay gewond tijdens zijn deelname aan een katholieke dienst, dat in die tijd niet toegestaan was. Hij wordt naar Utrecht vervoerd en sterft daar aan zijn verwondingen. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon IJsbrant, die getrouwd was met Anna van de Wiele van de Werve. Van de negen kinderen, die dit echtpaar krijg, erfde de oudste, Gijsbert Johan geheten, Den Eyck. In 1685 kan Gijsbert Johan de Eiklaan toevoegen aan zijn bezit. De teoenmalige eigenaar van De Haar, Anthony van Stembor, schenkt hem deze, met behoud van overpad "meteen gelaade voeder peerden en beesten voor onse landerijen".

Na de dood van Gijsbert Johan van Ravenswaay wordt in 1700 het huis met 15,5 morgen land getaxeerd op 6000 gulden. Den Eyck vererft op Pieter Hendrik van Ravenswaay, heer van Gerverskop en Bottestein, die slechts gedurende drie jaar eigenaar is. Als hij in 1703 sterft, wordt het goed getaxeerd op f 7200,-. Den Eyck bestond toen uit een aaneengesloten stuk land, dat gedeeltelijk allodiaal bezit en vijf percelen in leen van Vianen, Oudmunster (2 delen), het Heilige Geesthuis en De Haar.
Pieter Hendrik wordt opgevolgd door zijn broer Arnoldus IJsbrand, maar ook hij is slechts drie jaar eigenaar geweest en wordt opgevolgd door zijn achterneef Hendrik van den Berghe uten Limminghe. Het is mij niet duidelijk of na de dood Hendrik Den Eyck in bezit kwam van zijn zus Anna Adriana Maria of dat hij het haar in bruikleen gaf, omdat hij elders woonde. In elk geval woonde Anan in Utrecht en zij verhuurde Den Eyck. Naast Den Eyck stond een boerderij, die in die tijd omschreven wordt, als: "Seekere hofstede met sijn landerijen, bestaande in het boerehuijs, met bergh en schuur, staande op 't voorburg van den huijse Den Eyk". Na meer dan 250 jaar vererving verkoopt Anna Den Eyck in 1763 aan jonkvrouwe Elisabeth Helot. Zij is weduwe van Marcelis de Swart, die tijdens zijn leven buitengewoon gezant aan het hof van de tsaar van Rusland is geweest.

Elisabeth Helot sterft in of voor 1765 en haar dochter Maria Elisabeth de Swart erft Den Eyck. Omdat ze dan al ziek is stelt ze in 1765 haar testament op, waarin vermeld staat dat Den Eyck verkocht moet worden. Als ze een jaar later sterft, wordt door haar schoonzoon Andreas Zeger de Munninck, weduwnaar van haar dochter Johanna Louisa, en haar neef, Jacob de Swart, haar laatste wil uitgevoerd. Den Eyck wordt dan gekocht door Jan Maarten de Monchy. Bij de verkoop wordt het huis omschreven als: "Zekere hofsteede met zijn Heere Huijzinge genaamd Den Eyk met zijn stallinge, koetshuizingen, hof en lanen, mitsgaders plantagien en al 't houtgewasch daer op staande, alsmede de duijve vlugten met de duijven daarop zijnde, en al het reeds gemaakte en bewerkte hout tot een tuijnmans woninge."
Na zes jaar, op 24 augustus 1772, verkoopt Jan Marten het huis aan Maurits Carel baron van Utenhove, heer van Bottestein. Maurits' grootvader Hendrik had in 1704 Bottestein gekocht van Arnold IJsbrand van Ravenswaaij! Maurits wilde zich graag met zijn koets snel kunnen verplaatsen van zijn ene kasteel naar het andere en bovendien op zondag naar de kerk van Vleuten kunnen gaan, zodat hij eind 1773 toestemming vroeg om van het zandpad een rijweg te maken. Hij kreeg toestemming en deze weg liep van "'t Hof Terweyde tot aan de Haer Coorn-meulen toe", liep voor een groot deel over de landerijen van Den Eyck en werd op zijn kosten uitgevoerd.
In 1780 sterft de baron en zijn weduwe verkoopt het kasteel aan Jacob des Tombes voor 28.000 gulden. Jacob was getrouwd met Elisabeth Tourton en na haar dood besluit hij in 1788 Den Eyck te verkopen aan Herman Angelkot. Hij was kanunnik van het kapittel van St. Marie en tekende de koopakte op het kasteel en ging er wonen.

Een beschrijving uit 1788 spreekt van 'de hofstad genaamt Den Eyk bestaande in een heeren huis, koetshuis en stallinge met annexe gebouwen mitsgaders een boerewooning tot stalling voor paarden en koebeesten met daartoe dienende schuur, bakhuis en hooijberg, vervolgens duifhuis, schuijtenhuis en portiershuis, tuinen, boomgaard, bosschen, gracht, vijvers, laanen, alles en verdere plantagiën, bouw- en weilanden'.
De heer Angelkot woonde zijn hele verdere leven op Den Eyck en overleed in 1835 op 75-jarige leeftijd. Omdat hij geen nakomelingen heeft, wordt het huis publiekelijk verkocht.
Wat er daarna met het huis gebeurd is, is onbekend. Alleen in Van der Aa wordt nog genoemd, dat het huis in gebruik is als zomerverblijf en dat het eigendom is van Otto Johannes de Haart. Deze Otto trouwde in 1867 met Antoinetta Christina Goldenbelt en overleed in 1900.

De bewaard gebleven afbeeldingen van Den Eyck (door Jan de Beyer, Cornelis Pronk en L.P. Serrurier) tonen een huis met twee evenwijdige vleugels met in de binnenhoek een vierkante toren met koepeltorentjes. Dit kasteel had een vierkante grondslag en telde twee verdiepingen.
Gezien de gevelindeling en detaillering moet het omgrachte huis in het midden van de 17e eeuw zijn gebouwd of verbouwd. Op de prekadastrale kaarten uit 1810 blijkt een parkaanleg met enkele slingerende paden en waterpartijen aanwezig te zijn. De gracht rond het vierkante eiland was omstreeks die tijd nog duidelijk aanwezig.
In elk geval was het huis in 1840 nog geschikt voor bewoning.
Bewoners 1391 Loef van Ruwiel sr
- 1464 Loef van Ruwiel jr
1464 Beatrijs van Ruwiel
- 1490 Gijsbert Ernstz van Dorsschen
1490 - 1504 Cornelia van Dorsschen, dochter
1504 - 1544 Herman Hendriks van Ravenswaay, neef
1544 Hendrik van Ravenswaay, zoon
1544 - 1563 Jan van Ravenswaaij, broer
1563 - 1616 Herman van Ravenswaaij, achterneef
1616 - 1634 Gijsbert van Ravenswaay, zoon
1634 - 1665 IJsbrant van Ravenswaay, zoon
1665 - 1700 Gijsbertus Johan van Ravenswaay, zoon
1700 - 1703 Pieter Hendrik van Ravenswaay, broer (?)
1703 - 1706 Arnoldus IJsbrand van Ravenswaay, broer
1706 Hendrik van den Berghe uten Limminghe, achterneef
- 1763 Anna Adriana Maria van den Berghe uten Limminghe, zus
1763 - 1765 jonkvrouwe Elisabeth Helot, koop
1765 - 1766 Maria Elisabeth de Swart, dochter
1766 - 1772 Jan Maarten de Monchy, koop
1772 - 1780 Maurits Carel baron van Utenhove, koop
1780 - 1788 Jacob des Tombe
1788 - 1835 Herman Angelkot
1840 Otto Johannes de Haart
Huidige doeleinden Op het vroegere kasteelterrein staat nu een boerderij. De rest is in gebruik als boomgaard.
Opengesteld De boerderij is niet toegankelijk.
Foto's Gravure van het huis door Hendrik Spilman naar Jan de Beyer (ca 1750)
Bronnen Tekst: boek: Provincie Utrecht, 1966
Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, 1995
Afb. 1: Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, 1995
Afb. 2: boek: Provincie Utrecht, 1966